Duurzaam leven zit zelden in grote gebaren. Het zit in gewoontes: wat je meeneemt naar je werk, wat je doet als het regent, hoe vaak je iets nieuws koopt. Noorwegen heeft een paar van die gewoontes zo diep in het dagelijks leven zitten dat niemand ze nog duurzaam noemt. Ze zijn gewoon Noors. Wie met de trein naar Noorwegen gaat, ziet ze van dichtbij, want je zit dagenlang tussen Noren: op het perron, in de coupé naar Bergen, op de fjordboot en in de rij bij de supermarkt. Vijf van die gewoontes, opgepikt langs de spoorlijn tussen Oslo en de westkust, en stuk voor stuk mee te nemen naar huis.
Matpakke: het broodje dat de hele coupé bij zich heeft
De trein van Oslo naar Voss doet er ruim zes uur over, en ergens rond elf uur gebeurt in elke wagon hetzelfde. Uit rugzakken komen pakketjes in boterhampapier: de matpakke. Een paar sneetjes brood met kaas of leverpastei, misschien een wortel, een appel, een thermoskan koffie. Noren nemen hem al bijna een eeuw mee naar school en werk, sinds in de jaren dertig het eenvoudige broodontbijt op scholen werd ingevoerd. Het is het minst opwindende eten van Europa en misschien wel het duurzaamste: geen verpakking, geen impulsaankoop, geen eten dat overblijft.
Voor reizigers werkt het net zo. Koop in de supermarkt naast het station brood, kaas en fruit, en je zit de hele rit over de hoogvlakte met een lunch die minder kost dan een koffie in de restauratiewagen. Het mooie is dat niemand je raar aankijkt. In Nederland voelt een zelfgemaakte boterham op reis soms als karig, in Noorwegen is het de norm, ook bij mensen die het prima kunnen betalen om iets te kopen. Wie thuis vijf werkdagen per week een matpakke meeneemt, spaart in een jaar honderden verpakkingen en een verrassend bedrag uit.
Friluftsliv: naar buiten zonder reden en zonder uitrusting
Friluftsliv betekent letterlijk ‘vrijeluchtleven’, een woord dat Henrik Ibsen in 1859 in een gedicht gebruikte en dat sindsdien een nationale eigenschap is. Het betekent niet dat elke Noor bergen beklimt. Wel dat buiten zijn een gewoonte is, geen prestatie: een wandeling na het eten, een rondje langs het water op zondag, ongeacht het weer. Vandaar het gezegde dat er geen slecht weer bestaat, alleen slechte kleding. In Bergen, waar het meer dan tweehonderd dagen per jaar regent, loopt op zondagochtend een halve stad de heuvels op met een regenjas en een thermoskan.
Een treinreis maakt dat makkelijk mee te doen. De hotels staan naast het station, en in Voss en Flåm begint het wandelpad bij het perron, zodat je zonder auto en zonder plan een uur de natuur in kunt. Bij dat buitenleven hoort in Noorwegen ook een regel, sinds 1957 vastgelegd in de wet: iedereen mag overal de natuur in, op voorwaarde dat je die achterlaat zoals je haar aantrof. Voor wie duurzaam wil leven is friluftsliv misschien de goedkoopste gewoonte die er is. Buiten zijn kost niets, vervangt een middag winkelen of scrollen en vraagt niet om nieuwe spullen, alleen om een jas die tegen regen kan.
Hytte: een weekend zonder stromend water is geen straf
Vanuit de trein zie je ze overal: kleine houten huisjes, vaak met gras op het dak, aan een meer, tegen een helling, ver van de weg. Noorwegen telt bijna een half miljoen van die hytter op ruim vijf en een half miljoen inwoners, en veel families delen er een. Een hyttetur, een weekend naar de hut, is de standaardvakantie van het land. Het bijzondere is hoe eenvoudig veel van die huisjes bewust zijn gehouden: water uit een put of de beek, een houtkachel, een buitentoilet, geen wifi. Niet uit armoede, maar uit overtuiging. Comfort komt daar van een kachel die trekt en een pan koffie, wat Noren kos noemen: gezelligheid zonder spullen.
Die instelling is het tegenovergestelde van vakantie als consumptie. Je hebt geen tweede huis nodig om het te oefenen. Een hut in een Nederlands bos, een weekend in een kampeerhut aan de kust, een paar dagen bij familie zonder auto: het idee is hetzelfde. Minder aanzetten, minder inpakken, minder kopen, en toch terugkomen met het gevoel dat je weg bent geweest. Wie in de trein over de hoogvlakte een half uur naar die huisjes kijkt, snapt vanzelf waarom de Noren dit al generaties lang de beste vakantie vinden.
Gjenbruk en kortreist: tweedehands en van dichtbij als vanzelfsprekend
Noren kopen graag tweedehands, en ze schamen zich er niet voor. Elke stad langs de route heeft een Fretex, de kringloopketen van het Leger des Heils, en de nationale marktplaats Finn.no is voor veel Noren de eerste plek om te kijken voordat iets nieuws in beeld komt. In Oslo organiseren scholen ieder voor- en najaar een loppemarked, een rommelmarkt waarmee ouders het schoolorkest bekostigen, en die trekken halve wijken. Een wollen Noorse trui uit de kringloop is een beter souvenir dan eentje uit de toeristenwinkel, en vaak van betere kwaliteit.
Bij eten hoort een ander woord: kortreist, letterlijk ‘kort gereisd’. Het staat op menukaarten en in supermarkten en betekent simpelweg dat iets van dichtbij komt. In Bergen is dat vis van de kade, in Voss lam van de hellingen erboven, langs de fjorden fruit en sap uit de boomgaarden. Je hoeft er niets voor te zoeken; het staat op de kaart in het hotel naast het station. Twee gewoontes die je thuis direct kunt overnemen: kijk eerst tweedehands en kies eten waarvan je weet waar het vandaan komt. Allebei zonder dat het je iets extra’s kost, en meestal levert het juist geld op.
Zo neem je de Noorse gewoontes mee naar huis
De reis zelf is de eerste gewoonte. Wie een keer per trein en boot naar Noorwegen is geweest, met de nachtboot de Oslofjord op en daarna dagenlang met het raam als televisie, weet dat een verre vakantie geen vliegtuig nodig heeft. Een lange reis in plaats van drie korte stedentrips per vliegtuig scheelt een veelvoud aan uitstoot, en voelt achteraf ook als meer vakantie. Met een treinpas die in vrijwel het hele land geldt en hotels naast het station mis je ook ter plekke geen auto.
Daarna komen de kleine stappen, een per week. Maandag een matpakke mee naar het werk. Zondag naar buiten, ook als het regent. Een weekend per seizoen ergens simpel slapen, bereikbaar met de trein. Eerst tweedehands kijken. Eten kiezen dat kort heeft gereisd. Geen van die stappen kost geld, en de meeste leveren het juist op. Dat is misschien de belangrijkste les van een land dat rijk is en toch zijn boterhammen in papier meeneemt: duurzaam leven is geen offer, het is een verzameling gewoontes die je op een goede reis zomaar kunt oppikken.


